Periodiek onderhoud

Vorig jaar tijdens de grote beurt trof ik niet mijn eigen oogarts maar een enthousiaste jongeling die het absoluut nodig vond dat mijn gezichtsveld nog eens netjes in kaart werd gebracht. Mijn tegenwerping dat er onmogelijk iets veranderd kon zijn en dat dit mij erg deed denken aan het ringen van vogels: het helpt geen pest tegen het uitsterven maar het is zo leuk voor de wetenschap, kon hem niet overtuigen en dus, nou vooruit, zucht, als het moet dan moet het maar.
Afgelopen maandag was het zover en manmoedig sloeg ik me door het vervelende gedoe heen. Gisteren was het normale periodieke onderhoud en dat begint met het opmeten van de ogen. Een voor mij onbekende man — normaal zijn het altijd aardige zachthandige dames — jaste meteen beide ogen vol druppels en schoof de bekende apparatuur heen en weer waar ik door heen moest loeren en zeggen welke letters ik zag: geen dus. Dit weerhield hem er niet van om nog meer gif te druppelen en toen nam een mevrouw het over en die wilde foto’s maken. Dat was nieuw en op de tast volgde ik haar naar een donker hol waar ik werd klem gezet voor een eng ding dat zoemde , klikte en reutelde en felle rode lichtflitsen door mijn schedel schoot.
Eenmaal binnen bij mijn eigen oogarts bleek dat hij dat hele meten van het gezichtsveld maar onzin vond en over die foto’s gromde hij maar wat. Natuurlijk controleerde hij ook nog even de oogdruk en hopla daar gingen weer een par druppels.
Afijn, ik heb weer zwaar nastaar en eind juli moet ik onder het laserkanon; zucht. Gelukkig dacht ik omdat de zon volop scheen op tijd aan een zonnebril en na lang zoeken vond ik er een, dus kon ik toen ik buiten kwam als een blinde zonder hond de bus vinden en bij de goeie halte uitstappen.