Lief en leed in de hangende moestuin

Het lijkt het echte leven wel daar op mijn balkon, gisteren moest ik smartelijk afscheid nemen van de bieten want de krengen verrekten het om te groeien en de blaadjes vertoonden lelijke zweren en schurft. Dus weg ermee, naar de eeuwige vuilnisvelden.
En vandaag konen mijn snijbonen, die ik tegen alle regels van Jelle in, niet voorgezaaid maar de bonen rechtstreeks in mijn MMMini had gestopt en op de vensterbank liefdevol opgekweekt naar buiten. Potverdrie wat stonden ze er mooi bij en meteen op de goeie plaats. Bovendien heb ik wederom zonder van de trap te lazeren het klimrek opgehangen waarlangs de rakkers naar hartelust de weg omhoog kunnen groeien.
Van de slaai en radijs was het goed proeven.
Ik moest gewoon even gaan leggen.

Ik sta hier mooi voor lul

Persoonlijk als plee want de busjesmannen waar ik voor bedoeld ben zijn in geen lanen of dreven te bekennen. Om een uur of elf kwamen ze weliswaar even de nieuwe top tien vaderlandse smartherrie ten gehore brengen en keihard ook, maar na een uurtje was het weer eenzaam stil en verlaten.
Niet echt erg trouwens.

Ga maar buiten spelen

De pepers en basilicum — niet op de foto — stonden al een eeuw op de vensterbank te wachten tot het eindelijk een beetje fatsoenlijk weer zou worden.
Ook ik begon onderhand knap ongeduldig te worden en toen er plotseling allerlei ongedefinieerde kleine, wat zeg ik piepkleine vliegjes rond begonnen te vliegen was de boot aan: ‘D’r uit jullie, naar buiten.’
En zo geschiedde.

Huu boe snik

Dat riepen de neefjes Kwik, Kwak en Kwek altijd als ze van oom Donald hun zin niet kregen. Lang geleden dus want nu krijgen kinderen altijd hun zin, stel je voor zeg van niet want er moet nu al 850 miljoen extra naar de Jeugzorg.
Het is inderdaad zeer lang geleden, ik was een jaar of achttien en met de fiets op weg naar nog verder weg, terecht gekomen op een camping in Sarreguemines. Op die camping barste het van de Amerikaanse militairen en hun gezinnen uit een legerplaats ergens in de buurt. En daar las ik van een van die Amerikaanse jochies de Donald Duck in het Amerikaans. Daar zeiden de neefjes Huey, Dewey and Louie: ‘Unca Donald we wonna ice cream.’ Echt wel.

Maar ik dwaal weer af zoals gewoonlijk want mijn huu boe snik slaat op de foto’s die ik van de flat van de bovenbuurman heb gemaakt, die al dagen wordt gerenoveerd — de flat niet de buurman. Want in die flat zitten nog de originele schuifdeuren en ook de open haard heeft nog de oorspronkelijke tegels en die zijn bij mij wit geschilderd. Snik.

Overigens zit ik na twee dagen oorverdovend geboor nu in de kou want de stroom moest van de verwarming af. Maar de loodgieter heeft beloofd om alles weer in te schakelen als hij naar huis gaat. Boffen.

Ha nee ja ik ben er nog hoor

Gewoon druk en ik moet op tijd uitrusten van de dokter; vandaar. Mijn Hangende Moestuin heeft veel aandacht nodig. Nee niet veel werk want dat is beperkt tot een beetje water geven en op de app kijken wat ik vandaag moet doen zoals voorzaaien of uitdunnen. Leuk toch, een ander die voor je denkt.
Alleen die coMMunity zie ik niet zitten, teveel overenthousiaste kreetjes over Groetjes/Fruit (nee dat verzin ik niet) en damesmevrouwen die trots hun kleine rotjong met een radijsje in z’n hand laten zien. Getver.
Straks naar Grotezus, asperges hoop ik en da’s heel andere koek!

Busjesmannen en radijs

Om acht uur vanmorgen werd ik met een half oog wakker door gestommel boven mijn hoofd in de flat die sinds het vertrek van de buurman naar de Wilgenhof al meer dan een jaar leeg staat.
Ah, dacht ik, de busjesmannen zijn er en viel weer in slaap en toen ik om een uur of negen — mijn normale tijd om op te staan — uit het raam keek zag ik twee busjes waarin gezellig geschaft werd. Klokslag half tien werden de busjes gestart en reden weg om niet meer terug te keren; rare jongens die busjesmannen.

En nu over naar onze agrarische medewerker. Een paar dagen geleden heb ik pluksla, radijs en bieten gezaaid en zoals te verwachten viel heeft de radijs gewonnen! Toch een ontroerend gezicht.

Ik ben niet van de trap gelazerd

Ondanks dat ik met m’n boormachine op het hoogste treetje, het platform, moest klimmen om een gat in de muur te boren, ben ik niet over de rand van het balkon geduikeld. Wel werd het een komische act voor één heer met hindernissen.
Ga maar na, eerst moeten de gaten op de juiste plaats komen en dus tekende ik dat punt op de balustrade af en klom met een soort schietlood omhoog en zag het punt niet. Naar beneden en met een latje een duidelijker markering gemaakt. Omhoog maar weer, maar markeerstift vergeten en zo ging het nog even door tot ik aan het schone lied Een glaasje Madeira van wijlen Ted de Braak moest denken: ‘en rende in draf trap op en trap af!’
Afijn, uiteindelijk had ik twee gaten opgevuld met pluggen en ogen waartussen een ijzerdraad is gespannen om straks de klimmers onder het groensel van voldoende steun te kunnen voorzien. Dolle pret natuurlijk.

Tomatenboom

Die schaal heb ik al zo’n twintig jaar en al zolang liggen er tomaten op en nooit eerder, ik zeg nooit eerder viel me op dat het sprekend een tomatenboom lijkt. Ja stom.
Die schaal was zo ongeveer het eerste fatsoenlijk stuk gebakken klei dat uit m’n poten kwam toen ik als createef in wording meegesleurd was naar de cursus kleien van het Centrum voor de Kunsten in het oude Sportfondsenbad.
Dat het binnen de kortste keren een echte verslaving werd zie ik dagelijks in m’n rommelkamer en berging waar je je kont niet kunt keren van de potten — dus hebt u interesse? — tot mijn oogkwalen er een einde aanmaakten. Maar nog steeds als ik in een documentaire een pottenbakker bezig zie, schreit mijn hart.
Maar nondeju wat is het koud, amper zeven graden en een gemene oostenwind en toen ik vlug even naar de molen liep voor meel liep ik te schudden in m’n tuigje. En wat zag ik bij de molen: een fotoshoot van een trouwpartij waarbij de bruid gewoon in een tamelijk blote jurk stond te poseren zonder zelfs maar te klappertanden. Rare jongens die bruiden.

Goed toeven

Hoewel de temperatuur niet overhoudt en het voor de rest van de week helemaal volkomen kut wordt, was het mits verstandig gekleed goed toeven in mijn speeltuin.
Waarvan akte.

De melkboer

Dit huis waar ik praktisch elke dag voor of achter langskom was ooit van een melkboer. Nu wonen er werknemers van de hippieboer want melkboeren zijn zo goed als uitgestorven net als koperslagers, marskramers en ouders die hun kinderen opvoeden.
Ik heb iets met melkboeren want tijdens een van mijn tochten op weg naar Grotezus, terwijl ik op een bankje een hapje zat te eten — boterham met kaas en komkommer — stopte er een oude man op een elektroscooter en vroeg waar ik vandaan kwam en wat ik hier deed. Helemaal niet nieuwsgierig dus. Hij bleek de vroegere melkboer van Grote zus te zijn en ik moest haar de groeten doen.
En toen ik nog maar drie turven hoog was zei iedereen dat ik melkboerenhondenhaar had, maar dat was onzin want onze melkboer had een peerd met kar. De pieterölieman had weliswaar een hondenkar, maar ik leek absoluut net op die hond, een grote zwarte waar ik danig ontzag voor had.
Handkarren met daaronder een grote trekhond zijn allang en terecht verboden, maar paarden mogen nog steeds voor een kar gespannen worden of bereden door breedgekonte damesmevrouwen.
Ik ken trouwens nog een leuke mop over een melkboer… nou later misschien een keer.